Fietsen, historie en gastronomie: gravel door de Westhoek en Opaalkust
Als er één woord deze trip beschrijft, dan is het historie. Er zijn weinig streken waar je mooie gravelweggetjes, steile klimmetjes en weidse vergezichten zo moeiteloos kunt verbinden met tastbare geschiedenis. Een paar jaar geleden hadden we de regio rond Ieper al eens met de racefiets verkend, en we waren toen al enthousiast. Dit keer dus terug met de gravelbike, om (d)Ieper te graven. Pun intended
De weersverwachting was onrustig, dus kozen we voor de luxevariant: een B&B in Ieper en een appartementje in Noord-Frankrijk. Geen bikepacktassen, wel ruimte voor een extra biertje. En dat kwam goed uit, want als er iets is wat deze streken naast historie gemeen hebben, dan is het gastronomie. België stelt op dat vlak nooit teleur. Frankrijk trouwens ook niet (er werd ouderwets nee verkocht onderweg).
Dag 1: Plugstreets, Kemmelberg en kasseien
Vanuit Ieper trekken we een mooie lus door het Heuvelland. De eerste kilometers zijn gemoedelijk, maar dat verandert zodra de Kemmelberg opdoemt. De kasseien hier zijn keihard: In elke betekenis van het woord. Je weet dat dit wielerlandschap is, dat er hier koersen worden gereden die legendarisch zijn, en je voelt als je afziet omhoog naar t Ossuarium. Het soort kasseien waar je blij bent dat je op een gravelbike zit en niet op een racefiets met 25mm bandjes. Boven puffen we even uit want dit is straffe kost.
Via glooiende wegen zakken we af richting Ploegsteert, beter bekend van de plugstreets. De naam klinkt als een wielergimmick, maar de oorsprong is ouder en donkerder: Britse soldaten in de Eerste Wereldoorlog maakten er Plugstreet van omdat ze de Vlaamse naam niet uitgesproken kregen. Nu kennen we de stroken uit Gent-Wevelgem, en kennen we het dorp al laatste rustplaats van Frank VDB. We nemen onze helm even af voor zijn graf.
Slechts zestig kilometer en bijna 600 hoogtemeters: dat klinkt beheersbaar, en dat is het ook, tot vijf kilometer voor het einde de hemel openbarst. Een plensbui van jewelste begeleidt ons terug naar Ieper. We spoelen de modder weg met een Belgisch biertje en schaften savonds Vlaamse pot
Dag 2: St. Bernardus, Westvleteren en onverstaanbaar West-Vlaams
Bij mij spookt de hele dag de stem van Yves Lampaert in mijn hoofd. Dat kan de sfeer zijn van het West-Vlaamse platteland, waar elke boer die je groet onverstaanbaar maar hartelijk klinkt. Het kan ook de afdronk zijn van één Belgisch biertje te veel gisteravond. Laten we het op de sfeer houden.
Vandaag staat in het teken van abdijen en brouwerijen en je kunt je afvragen of dat niet hetzelfde is in deze streek. We klimmen het Heuvelland in, richting de Mont des Cats met de oudste brouwerij van de omgeving. Dan verder naar de Sint-Sixtusabdij van Westvleteren, waar je als fietser eigenlijk even moet stoppen, al is het maar om te beseffen dat het meest begeerde bier ter wereld uit zo'n onopvallend gebouw komt. De andere fietsers zijn eigenlijk het enige teken dat deze plek toch enige betekenis heeft.
De wind houdt goed huis op de desolate stukken tussen de abdijen. Het West-Vlaamse platteland is mooi, maar kan ook eindeloos aanvoelen als je de wind vol op de neus hebt. Het gravelgehalte is vandaag eerlijk gezegd beperkt, meer kleine paadjes en landweggetjes dan echt onverhard terrein. Maar het fietst prettig, de route van zo'n 66 kilometer met opnieuw een kleine 600 hoogtemeters is goed te doen, en het terras dat we terug in Ieper opzoeken is dubbel en dwars verdiend.
Tussendoor: de IJzertoren en de rit naar Frankrijk
Voordat we de grens over gaan, maken we een omweg via Diksmuide voor een bezoek aan de IJzertoren. Dit museum is zeer de moeite: het geeft context aan alles waar je doorheen fietst in deze streek. De Eerste Wereldoorlog is hier geen abstract hoofdstuk uit een geschiedenisboek, maar iets dat in het landschap zit, in de namen van de straten, in de vorm van de akkers. Voor de Engelsen is het nog steeds meer een bedevaartsoord dan een toeristische bestemming. Een paar uur in dit museum verandert de manier waarop je naar buiten kijkt als je weer op de fiets stapt.
Daarna rijden we door naar Ardres, een slapend stadje onder Calais. Hier is ons appartementje de uitvalsbasis voor het derde en laatste deel van deze trip: de Opaalkust.
Dag 3: De Opaalkust: klimmen, vergezichten en het V3-kanon
De Opaalkust. Bij het grote publiek nog niet erg bekend, maar het begint op de radar te komen. En dat is terecht. Wat we hier aantreffen overtreft de verwachting: heerlijk autoluw, prachtige vergezichten en geen meter vlak. Het doet me denken aan Zuid-Limburg qua terrein, maar dan een slag rustiger en net wat ruiger. De horizon is hier wijder, de lucht dramatischer, en het licht heeft die zilverige kwaliteit die je alleen aan de kust vindt. De kleuren van de in bloei staande wilde bloemen helpen ook een handje mee.
Het weer speelt vandaag mee en we genieten met volle teugen. De route biedt voldoende afwisseling tussen rustig gravel, vrije fietsroutes langs de kust en steile uitschieters. Cap Blanc-Nez is het hoogtepunt, letterlijk: een klim die uitkomt op de krijtrotsen boven Het Kanaal, met uitzicht tot aan de kust van Engeland. Tevens de plek waar in de TOur van 2022 Wout zn duivels ontbond (altijd al eens willen schrijven) en op weg ging naar de dagzege. Ruim duizend hoogtemeters in zestig kilometer klinkt op papier bijna als een bergrit, en zo voelt het soms ook. Het schiet niet erg op vandaag, maar dat maakt niet uit. Dit is een dag om te kijken, te stoppen, te genieten.
Onderweg passeren we bijvoorbeeld Batterie Todt, een van de vele Tweede Wereldoorlog-overblijfselen die hier het landschap tekenen. De Duitse Atlantikwall loopt dwars door dit fietsgebied, en je kunt er niet omheen. Soms letterlijk niet, als een bunker midden in je pad staat.
Na de rit duiken we nog even de grond in bij het V3-kanon van Mimoyecques: een ondergrondse Duitse installatie in een krijtheuvel, bedoeld om Londen te bestoken met een experimenteel superkanon. Het is een van die verhalen die te bizar klinken om waar te zijn, maar de tunnels zijn er nog. Indrukwekkend en beklemmend tegelijk.
De terugreis en La Coupole
De laatste dag fietsen we niet meer, maar we maken nog wel een stop bij La Coupole: een voormalige Duitse V2-raketbasis, nu een museum dat de bezettingsgeschiedenis van Noord-Frankrijk en de ruimtevaartrace die erop volgde belicht. Een waardige afsluiter van een trip die doorlopend in het teken stond van geschiedenis.
Daarna is het de file bij Antwerpen in. Sommige dingen veranderen nooit.
Fietsen, historie en gastronomie: missie geslaagd.
Praktische informatie
Terrein en banden: Veel van de routes hadden ook met de racefiets gekund, maar vanwege het slechte asfalt, zeker in België, is de gravelbike de fijnere keuze. In België is 35mm prima te doen. De Opaalkust in Frankrijk is vrij stenig en heuvelachtiger dan je verwacht; daar zit je comfortabeler op 40mm of meer.
Horeca: Onderweg ligt de horeca er niet voor het oprapen, zeker niet op het platteland tussen de abdijen. Ieper zelf maakt dat ruimschoots goed met een uitstekend aanbod aan restaurants en cafés. In Ardres en omgeving vonden we accommodatie via AirBNB. De Franse keuken hier was simpel (lokale gerecht "Welsh" anyone?), maar plan je stops wel even vooruit.
Weer: De Westhoek en de Opaalkust staan bekend om wisselvallig weer. Regen- en windjas zijn standaarduitrusting hier, ook in mei. De wind kan op de open vlaktes flink huishouden.
Historie: Doe vooraf een bezoek aan het In Flanders Fields Museum in Ieper of het museum in Passendale om een idee te krijgen door welke omgeving en geschiedenis je eigenlijk rijdt. Het geeft de kilometers extra diepte. Onderweg in Frankrijk zijn de Batterie Todt, het V3-kanon bij Mimoyecques en La Coupole stuk voor stuk een stops waard. Plan daar tijd voor in.
Tempo: Plan je tijd ruim. Er is veel onderweg om bij te stoppen, en gemiddeldes tellen hier niet. Dit zijn geen ritten om records te rijden, maar om rond te kijken.